De oven heet Electra

Na de asbak moeten we een man maken:
ik druk mijn duimen in zijn lijf, maak deuken, denk aan blauwe plekken
ik klei met lange armen, geef hem oren en neem hem mee naar huis.

Morgen bakken we hem af, zegt mijn moeder, zij ademt praktisch
zonder twijfel en zet hem daarna onder een natte theedoek voor de tv.

De nacht rees, groeide als jong deeg, stak via mijn mond
via het gaatje tussen mijn benen zijn armen vormvast
in mijn armen en kneedde
benen in mijn benen, precies zoals ik hem.

De oven heet Electra en staat op tien, gloeit, ik voor het eerst
Hup, doet mijn moeder of ze me herkent – zo schuif je in het vuur:

achter weggesleten lijnen van glas in licht
waar zijn huid wit, wit glanst, poreus. Ik krijt

zo veel namen op de buitenmuur dat er niets dan poeder van hem overblijft.